Full Text: De Bijenkoningin
One story, four ways to read it
Every story comes in its original version plus several simplified reading levels, so it grows with your child.
The original text is the full story with rich vocabulary and descriptive language, ideal for reading aloud together and for kids who are ready for longer sentences.
The simplified levels retell the same story in shorter, simpler sentences matched to your child's stage. Ages 2-6 uses a few short sentences per scene, perfect for first time readers. Ages 4-8 adds simple dialogue and everyday vocabulary for kids beginning to follow along. Ages 6-10 keeps the language accessible while bringing back more of the story's detail, a natural bridge to the original.
Start at the level where your child is comfortable, and move up when they're ready. Hearing the same story told in richer language each time is one of the best ways to build vocabulary in any language.
Original Text: De Bijenkoningin
Een koning had drie zonen. Twee van de zonen waren charmant, slim en knap. Maar ze waren lui en dachten alleen aan zichzelf, en trokken zich nooit iets aan van het gemak of plezier van anderen. Ze hadden een jongere broer die Alexander heette, en die stil en zachtaardig was. De twee oudere broers lachten vaak met hem.
„Je bent te naïef om ooit je weg in de wereld te vinden," zeiden ze.
Op een dag vertrokken de drie broers samen op reis. Ze waren nog niet ver geraakt toen ze bij een mierenhoop kwamen.
„Laten we naar deze mierenhoop gaan," zei de oudste broer. „Het zal plezant zijn om de bange mieren heen en weer te zien rennen met hun eitjes."
„Nee, nee," zei Alexander, „laat de kleine mieren met rust. Waarom zouden we ze bang maken?"
Ze lieten de mierenhoop ongedeerd achter en gingen verder.
Al gauw kwamen ze bij een meer. Veel eenden zwommen rond in het water. Toen zei de tweede broer,
„Kom, laten we stenen gooien naar een paar van deze mooie eenden."
„Nee," zei Alexander, „doe ze geen pijn. We hebben ze niet nodig als eten. Waarom zouden we ze dan pijn doen en verwonden?"
Dus lieten ze de eenden rondzwemmen in het meer. Ze stapten verder tot ze bij een bijennest in een boom kwamen.
„Laten we een vuur maken," zei de oudste broer. „De rook zal de bijen ervan weerhouden ons te steken. Dan kunnen we de honing nemen."
Maar Alexander hield hem tegen.
„Maak geen vuur. Waarom zouden we de bijen van hun nest beroven? We hebben geen honger en we kunnen de honing niet meenemen."
Opnieuw luisterden ze naar zijn woorden, hoewel ze zeiden,
„Je bent een arme, dwaze kerel."
En zo gingen ze verder.
Eindelijk kwamen ze bij een groot kasteel. Het was van steen gemaakt, en alles wat ze zagen, zelfs de paarden in de stallen, was van steen.
De broers gingen van kamer naar kamer. Ze zagen geen man, vrouw of kind, alleen stenen figuren.
Eindelijk bereikten ze een deur, waardoor ze door een gat een kleine, grijze man zagen. Ze klopten op de deur. De man stond op, opende de deur, gaf hun eten en wees hun een kamer aan waar ze konden slapen. Maar hij sprak geen woord.
De volgende ochtend liet hij een stenen tafel zien waarop drie opdrachten stonden geschreven. Dit waren opdrachten die iedereen die naar het kasteel kwam, moest uitvoeren.
De eerste was deze:
„In het mos rond het kasteel liggen duizend parels verspreid. Ze moeten allemaal op één dag gevonden worden. Wie dat doet, zal het kasteel van zijn betovering bevrijden. Wie het probeert en er niet in slaagt, zal bij zonsondergang zelf in steen veranderen."
De oudste broer las deze woorden en begon meteen naar de parels te zoeken. Hij zocht de hele dag. Maar toen de zon onderging, had hij er slechts honderd gevonden. Dus werd hij in steen veranderd.
De volgende dag begon de tweede broer met de zoektocht. Hij begon voor dag en dauw, zoekend bij maanlicht. Maar bij zonsondergang had hij slechts tweehonderd parels gevonden. Dus ook hij werd in steen veranderd.
Nu was het de beurt aan Alexander. Hij zocht en zocht, maar vond slechts een handvol parels. Toen de zon op het punt stond onder te gaan, liet de arme Alexander de edelstenen vallen en begon te huilen. Terwijl hij huilde, kwamen de mieren naar hem toe van wie hij het huis had gered.
„Goeiedag, vriend Alexander," zeiden ze, „Ooit deed je ons een goede daad. Nu zullen we je terugbetalen."
Hier en daar gingen de kleine mieren door het mos. De een na de ander kwam met een parel die ze voor hem neerlegden. Toen gingen ze naar huis zonder op zijn dank te wachten.
Vol vreugde bracht Alexander de parels naar het kasteel. Toen wees de oude grijze man naar de stenen tafel. Daar las Alexander de tweede taak.
„De sleutel van de kamer van de prinsessen ligt onder de modder en het water van dit grote meer. Hij moet worden gevonden en de deur moet worden ontgrendeld."
„Ah!" dacht Alexander, „dit is iets wat ik nooit kan doen. Geen mens op aarde kan diep genoeg duiken om een kleine sleutel te vinden die in een groot meer verloren geraakt is."
Hij ging naar buiten en ging naast het meer staan, en zijn tranen vielen in het blauwe water. Toen kwamen de eenden die hij had gered naar zijn voeten gezwommen. „Wees niet zo verdrietig, vriend Alexander,” zeiden ze. „Je hebt ons gered. Nu is het aan ons om jou te redden.”
Ze doken naar de bodem van het meer. Eindelijk kwam er een met de sleutel in zijn snavel weer naar boven.
Alexander nam hem en ontgrendelde de deur van de kamer van de prinsessen. Daar lagen ze, alle drie in diepe slaap.
Nu wees de kleine grijze man Alexander op zijn laatste taak, de moeilijkste van allemaal.
‘Ga de kamer binnen waar de drie prinsessen slapen. Ze lijken zo op elkaar dat hun eigen moeder ze niet uit elkaar kan houden. Je moet de jongste en liefste wakker maken. Voor ze gingen slapen, at de oudste wat suiker, de tweede een beetje siroop, en de jongste een lepel honing.’
Maar hoe moest Alexander weten wie de honing had gegeten? Hij stond naar de prinsessen te kijken. Ze leken precies evenveel op elkaar als zijn spiegelbeeld op hem leek.
Net toen vloog de bijenkoningin van het nest dat hij had gered de kamer binnen. Ze vloog naar de dochters van de koning en zoemde van de ene naar de andere:
‘Zoem, zoem,’ zoemde ze rond de prinsessen.
Toen begon ze honing van de lippen van een van hen te nippen. Zo wist Alexander dat dit de jongste was, en hij maakte haar wakker.
Toen ze haar ogen opende, werd het kasteel van zijn betovering bevrijd. De andere prinsessen werden wakker, en de paarden en mannen namen weer hun eigen vormen aan.
Toen gaf de koning Alexander de helft van zijn koninkrijk en zijn jongste dochter als bruid. De twee andere broers trouwden met de andere prinsessen. Ze hadden van Alexander geleerd dat het beter is om eenvoudig en goedhartig te zijn dan slim en onvriendelijk.
